terug

Dytiscus marginalis - de geelgerande waterkever


Klik op één van de plaatjes voor een grotere afbeelding.

 

Geelgerande watertor, mannetje
Dytiscus marginalis
Geelgerande watertor, mannetje

Links een afbeelding van een mannelijk exemplaar van de geelrand. De ademopening aan de achterspits is gesloten, zilverig glanst een randje lucht. Net als de meeste waterinsecten moet de geelgerande watertor van tijd tot tijd verse lucht halen. Hij doet dat met de achterlijfspunt. Gladde dekschilden zijn het opvallendste kenmerk van het mannetje. Sommige vrouwelijke exemplaren hebben echter ook gladde dekschilden! De zuignappen aan de voorpoten zijn een betrouwbaardere aanduiding. De mannetjes hebben die nodig om zich op het gladde rugschild van de vrouwtjes tijdens de paring vast te houden, dus komen ze bij de laatste nooit voor. Moeilijker te zien is de dubbele zwemhaarzoom aan de achterpoten, bij de vrouwtjes is deze enkel.

Geelgerande watertor, vrouwtje
Dytiscus marginalis
Geelgerande watertor, vrouwtje

Rechts een vrouwelijke geelrand. Duidelijk zijn de groeven in de dekschilden te zien die kenmerkend zijn voor het geslacht. De groeven lopen niet door tot het achtereinde. Waarom de vrouwtjes gegroefd zijn? Geen enkele verklaring is afdoende. Door de gegroefde dekschilden zou het mannetje bij de paring meer houvast hebben, maar dit is nooit duidelijk waargenomen; hij kleeft zich meer met de zuignappen op het gladde rugschild van het vrouwtje vast. De kevers kunnen goed vliegen: ze klimmen op windstille avonden uit het water, beginnen vreemd te zoemen (waarschijnlijk pompen ze op dat moment lucht in de holle aders van de vleugels) en plotseling gaan ze als reuzen lieveheersbeestjes brommend de lucht in. De kevers duiken na een vliegreis op alles wat voldoende spiegelt, bijvoorbeeld in tuinvijvers, zwembadjes maar ook glanzende auto's of broeikassen. Verder worden ze aangetrokken door buitenlampen. Als er in de sloot of vijver voldoende planten zijn en er voedselaanbod is, boort de kever met een legboor (ovipositor) gaatjes in stengels van waterplanten en legt daarin de langwerpige eitjes. Kleine, doorschijnende larfjes zwermen na enkele dagen plotseling door het water.


de Larve

Geelrand larve, jong
Dytiscus marginalis
Geelgerande waterkeverlarve, jong

De pasgeboren larfjes lijken hulpeloze microgarnaaltjes en worden graag opgesnoept door andere insecten of vissen. Maar zelf zijn ze ook niet mis: nog maar net uit hun ei gekropen, eten ze al kleinere diertjes, of desnoods elkaar op. Ze vervellen een paar keer en groeien verbazend snel. Hun vorm wordt dan goed zichtbaar: een glazige, slanke rups met zes lange poten en schrikwekkende, sikkelvormige kaken. Ze moeten snel groeien en eten dan ook veel: ze zijn vraatzuchtiger dan de volwassen kever. Links zie je een nog jonge larve van een centimeter of twee. Ze kunnen door de ingeademde lucht lichter worden dan water. Langzaam stijgen ze dan verticaal op, vaak zonder hun poten te gebruiken, tot ze in hun geliefkoosde houding, het lichaam in een S gebogen, met de achterlijfspits aan de waterspiegel hangen. Twee ademopeningen aan het achtereinde ventileren de luchtkanalen (tracheeën), twee kleine uitsteekseltjes (cerci) bieden steun aan het achterlijf tegen de waterfilm. Zo hangt de larve schijnbaar levenloos, tot een klein visje of insect in de buurt komt. De larve is plotseling zeer attent: met een katachtige ruk wordt het lichaam in aanvalspositie gedraaid, de kaken verder opengesperd, komt de prooi binnen grijpafstand dan schiet de kop als een bliksemschicht uit - en ge'pierced' tussen de sikkels spartelt het slachtoffer... Dan begint een gruwelijk, maar boeiend schouwspel: door de kaken, die hol zijn, wordt een bruin vocht in de prooi gepompt. Dat is giftig en eiwitoplossend, een akelig einde voor het snel minder tegenstribbelende dier. De vloeistof wordt even later weer opgezogen, samen met het eerste opgeloste voedsel. Dit proces herhaalt zich: duidelijk is door de kaken de stroming te zien, evenals in de kop, waar de stromen bij elkaar komen in een buis: het spijsverteringskanaal. Na een half uur zijn de meeste prooien grotendeels verteerd: een slap vel is soms het enige wat van sommige insecten overblijft. De larve laat de rest vallen, en even later hangt hij weer klaar, de kaken uitnodigend open. Na elke vervelling groeit de larve tot hij zo'n zeven centimeter lang wordt. Hij valt ook grotere dieren dan hijzelf aan: als een niet loslatende terrier blijft hij aan visjes hangen, zodat hij gevaarlijk kan worden voor de kleinere goudvissen in de vijver. Met de zwemharen aan de poten kunnen ze ook langzaam door het water zwemmen, de zwemharen aan de staart worden gebruikt om met een ruk weg te schieten bij dreigend gevaar. De volgroeide larve is dik en zwaar, hij hangt niet meer aan de oppervlakte, maar zoekt ondiepten op om nog met de staartpunt te kunnen 'snorkelen'. UIteindelijk eet hij niet meer en gaat uit het water, waar hij vlak bij de oever een holletje graaft om zich te verpoppen. Na enkele weken komt de kever te voorschijn.

 

Volgroeide larve.
Dytiscus marginalis
Geelrand larve, laatste stadium


HOOFD Index   Kevers1   Kevers2   Wantsen1   Wantsen2   Libellen   Overige insecten   Overige dieren  

terug
terug naar KEVERS 1

COPYRIGHT:
Alle afbeeldingen op deze site zijn door G.H. Visser (Almelo, Nederland) gemaakt, tenzij anders genoemd. Alle rechten behoren hem toe. Deze afbeeldingen mogen op geen enkele wijze anders dan voor eigen privé gebruik aangewend worden. Direct linken naar of plaatsen van de afbeeldingen op andere websites zonder toestemming nadrukkelijk verboden. Als u ze voor doelen, waarbij derden betrokken zijn, wilt gebruiken, vraag dan via een e-mail goedkeuring aan de auteur. Doel van de foto's is wel dat ze de interesse in de natuur helpen bevorderen op alle mogelijke manieren. In het bijzonder worden mensen aangemoedigd die materiaal nodig hebben voor natuurexposities of voor educatieve doeleinden.
© G.H. Visser 12-04-2005
rev. 20-06-2010

Valid XHTML 1.0!